Wie kijkt er mee?

Tijdens het lab van Panic Paradise zat ik achterin het lokaal, achter een klas vol tieners die elkaar nonchalant in de gaten houden. Ricky had net gevraagd wat ze van de eerste scene vonden. Je voelt het gewicht van de stilte, de afwachtende blikken, het onuitgesproken “ik ga echt niks zeggen hoor”.

Toch steekt jongen zijn hand op. Hij zegt iets kleins, voorzichtig bijna. En op dat moment draait de hele klas haar hoofd naar hem. Een paar jongens achterin beginnen te giechelen, elkaar aan te stoten. De spanning in de lucht verandert van loom naar scherp. En ik voel een knoop in mijn maag. Deze jongen vertelt niet eens iets over zichzelf, maar het lijkt alsof hij zich meteen blootgeeft, alleen omdat hij zijn stem gebruikt.

Ik dacht: dit is het dus. Zo voelt onveiligheid in een klas.

Het zoeken naar manieren om wel te praten

We zijn met deze groep vmbo-leerlingen aan de derde sessie van ons traject bezig. Samen met Collage Almere onderzoeken we hoe docenten moeilijke onderwerpen kunnen bespreken met hun klas zonder dat het gesprek ontspoort. In dit traject stond deze bijeenkomst in het teken van de vraag: hoe vorm je een mening, hoe uit je die respectvol, en hoe blijf je luisteren?

De eerste twee sessies waren stroef. Alles bleef aan de oppervlakte. Iedereen hield zijn mond, alsof er geen meningen waren. Tot we besloten het anders te doen: leerlingen mochten hun gedachten ook anoniem opschrijven.

En toen kwamen ze: in dikke stiftletters, soms haastig neergekrabbeld op posters bij een afbeelding van twee mannen die elkaars hand vasthouden. “Vies”. “Niet normaal”. “Waarom moet dit?” “Het is homo, ze zijn in de war”

Ik weet nog dat ik even schrok. Niet omdat ik het niet verwachtte, maar omdat ik ineens zwart op wit zag wat tot dan toe onuitgesproken was gebleven.

Er zit iets rauws in die eerlijkheid. Iets wat pijn doet, maar ook lucht geeft. Want pas als het er is, kunnen we ermee werken.

De kwetsbaarheid van eerlijkheid

Toch merkte ik daarna pas echt hoe kwetsbaar het is om iets te zeggen in een klas. Tijdens het lab was de sfeer anders. Afwachtend, ongemakkelijk. En toen een jongen iets durfde te zeggen, zag ik hoe snel dat moment kon kantelen. Hoe een blik, een lachje, een fluistering genoeg is om iemand te laten terugdeinzen.

Er zat een spanning in de ruimte die ik niet helemaal kon grijpen.

Een soort collectieve alertheid: wie gaat iets zeggen, en wat betekent dat voor zijn plek in de groep?

Op dat moment begreep ik hoe oneerlijk het eigenlijk is dat we van jongeren verwachten dat ze “open” zijn. Alsof dat een knop is die je gewoon omzet. Terwijl openheid pas mogelijk is als je weet dat het veilig is om zichtbaar te zijn.

Wat hoort bij de leeftijd en wat niet

Soms vraag ik me af hoeveel we moeten verwachten van vijftienjarigen.

Hun wereld draait om erbij horen, grenzen aftasten, uitproberen wie ze zijn. Natuurlijk komen er dan meningen die bot klinken, hard, ongenuanceerd. Ze testen. Ze zoeken.

Ik probeer die momenten niet meer alleen als weerstand te zien, maar als oefeningen in identiteit. “Vies”, “raar”, “dat mag niet”: het zijn misschien woorden van ongemak, niet van overtuiging. En als we dat snappen, kunnen we beter luisteren naar wat eronder ligt: onzekerheid, verwarring, nieuwsgierigheid zelfs?

Maar om daar te komen, moet iemand eerst iets durven zeggen. En dat is precies waar het schuurt.

De docent die pas aan het einde durft

Wat me opviel: pas tegen het einde van het traject begon de docent zich zelf een beetje open te stellen. Toen hij iets persoonlijks deelde, niet groot, niet spannend, maar oprecht, voelde ik de hele groep even ademen. Alsof de leerlingen dachten: oh, hij doet het ook.

Dat moment liet me zien dat veiligheid niet te plannen is met een werkvorm of een goed gespreksoverzicht. Het ontstaat pas als iemand het risico neemt om echt aanwezig te zijn. En dat geldt net zo goed voor ons, begeleiders en docenten, als voor leerlingen.

In latere sessies bleek hetzelfde: twee lessen met dezelfde inhoud, maar twee heel verschillende docenten. Waar de een gebruik maakt van het moment om haar mails te beantwoorden, doet de ander actief mee aan onze les. In de eerste les zeggen de leerlingen bijna niks, de sfeer is gespannen. Maar in de les waarin de docent meedoet eindigen we met een mooi gesprek en is iedereen aan.

Kleine ruimtes, echte veiligheid

Wat ook werkte in de bijeenkomsten, waren de kleine groepjes. Zodra de klas in kleinere cirkels uiteenvalt, zakken de schouders. Er is ruimte om na te denken, om van mening te veranderen, om iets te zeggen zonder dat het meteen een publieke verklaring is.

Misschien is dat wel de sleutel: veiligheid is niet iets wat je aan het begin kunt instellen, het is iets wat langzaam groeit terwijl mensen elkaar leren kennen, iets wat je samen kunt creëren als je luistert naar de groep en de omgeving.

Wie kijkt er mee?

Ik denk nog wel aan die jongen in het lab. Hij zei iets, keek even om zich heen, en zag toen al die ogen op zich gericht.

En wat ik mij afvraag is: wat als we die ogen iets zachter konden maken? Wat als we een sfeer kunnen creëren waarin er zonder consequenties gedeeld kan worden?

Met deze vragen gaan we weer de klas in, op zoek naar waar leerlingen die veilige plekken kunnen vinden, hoe ze zich daartussen bewegen en wat dat betekent voor de gesprekken die er gevoerd worden. Daarvoor vragen we het aan de leerlingen zelf zodat wij van hun kunnen leren hoe het werkt.

Studio 52nd maakt op deze website gebruik van cookies. We gebruiken cookies voor het bijhouden van statistieken (de cookies van Google Analytics zijn volledig geanonimiseerd), om voorkeuren op te slaan, en voor marketingdoeleinden. Door op 'optimale cookies' te klikken, ga je akkoord met het gebruik van alle cookies. Je hebt ook de keuze voor 'minimale cookies', als je dit liever niet hebt.